Wijnen

Winter of droge snoei, La potatura secca

Door: Ricardo Bregstein

De meeste druiven worden elk jaar gesnoeid, maar waarom eigenlijk? En wat is er hierin specifiek voor Zuid-Italië?

Om deze vragen te beantwoorden moet ik eerst dieper ingaan op het karakter van de druivenplant. Toen ik vorig jaar mijn cursus snoeien ging doen, werd dit karakter heel kort en bondig uitgelegd: de druif is een liaan, een klimplant dus. Aangezien we het groen van de plant erg mooi vinden, maar een enorme hoeveelheid groen niet bijdraagt aan het verkrijgen van lekkere druiven (welke we dus graag consumeren, in pure dan wel in bewerkte vorm) moeten we hier iets aan doen, kort houden is het devies dus, oftewel snoeien. De druif heeft een groot voortplantingsdrang, en aangezien deze met wortels aan één plaats is gebonden, moet er flink doorgegroeid worden om de zaadjes (de pitten van onze druiven) verderop te verspreiden, en het allerbelangrijkste is dat de pitten rijp zijn, het vruchtvlees is bijzaak (voor de plant dan). Als we niet ingrijpen zal de plant al zijn energie stoppen in vooruit groeien en pitten rijp krijgen.

Snoeien en Geleiden. Je zou kunnen zeggen dat deze twee heel erg aan elkaar gebonden zijn, snoeien is het daadwerkelijk afknippen van alle delen van de plant die geen nut hebben bij het produceren van goede druiven, en geleiden is de vorm die je hiervoor gebruikt, welke je elk jaar weer in stand houdt door het daadwerkelijk afknippen. In het algemeen wordt dit geheel Potatura(snoeien) genoemd. In de snoei, kan je grofweg 2 methoden onderscheiden:

Korte snoei, waarbij je slechts 2 á 3 knoppen laat staan, lange snoei, waarbij je meer dan 3 knoppen laat staan, soms wel 15. De belangrijkste snoei vindt plaats in de winter, wanneer de planten in winterrust zijn en hun sapstroom tot stilstand is gekomen. Maar in het voorjaar als de planten zijn uitgelopen vindt er een zogenaamde groene snoei plaats (meestal zonder snoeischaar maar met de hand) hierbij wordt het evenwicht hersteld, door alle uitlopers op ongewenste plaatsen te verwijderen zodat de plant al zijn groeikracht kan stoppen in de uitlopers die wel een rol gaan spelen bij de productie. Beide methodes kunnen dan weer gebruikt worden in combinatie met een veelvoud aan geleidingswijzes. In deze geleidingswijzes zijn grofweg 2 scholen te onderscheiden naar de oorsprong hiervan.

De eerste school is de Etruskische School, waarin  eigenlijk wordt voortgeborduurd op de natuurlijke gewoonte van de druif om in bomen en dergelijke te klimmen, met een lage plantdichtheid en dus grote afstand tussen de wortels en de jonge uitlopers met daaraan de bladeren en druiven. In de eerste instantie werden hier dan ook levende ondersteuningen als bomen voor gebruikt, later werden deze vervangen voor palen van hout, metaal, cement en kunststof.

De meest opvallende van deze geleidingswijzes is wel de Alberata Aversana (Campania, Caserta), waar de Asprinio druif nog steeds tussen levende bomen wordt gekweekt.

De druif geeft op deze wijze niet zoveel concentraat en een flink zuurgehalte, bij een zeer  grote opbrengst. Dit is in  het geval van de Asprinio geen probleem, want men maakt er voornamelijk mousserende wijn van, en daarbij kun je deze karakteristieken goed gebruiken.

Andere voorbeelden van Etruskische snoeiwijzes in Zuid-Italie zijn: Tendone: Deze meest gebruikte wijze van Italië, Is eigenlijk een soort tent van bladerdak op ca. 2 meter hoogte waar je onderdoor kunt lopen en waar de druiven onderhangen, deze groeiwijze geeft zoals alle Etruskische wijzes meestal een hoge opbrengst met een gemiddelde kwaliteit, hoewel hier natuurlijk uitzonderingen op zijn: een van de beste wijnen van geheel Italië namelijk die van Valentini uit Abruzzo wordt met deze wijze gemaakt. Behalve voor wijndruiven is dit de meest gebruikte methode om tafeldruiven te kweken. Komt voor in: Abruzzo, Puglia, Sicilia, Lazio, Campania

Andere Etruskische geleidingswijzen zijn : Pergoletta Puglia, Pergole Avellinesi, Raggera, maar dat zijn minimale hoeveelheden. In principe kun je zeggen dat apart van de Tendone, er in Zuid-Italië meer gebruik gemaakt wordt van De Griekse School, waarbij de plant juist kort gehouden wordt, en zo uit zichzelf al een lage productie levert. Deze school gaat uit van een hoge plantdichtheid, waarbij het dus niet mogelijk is om de planten veel ruimte te gunnen, en je dus elk jaar móét snoeien om er voor te zorgen dat de planten elkaar niet overwoekeren. Hierbij wordt  de plant niet of slechts weinig ondersteund door een kleine niet levende steunpaal. De meest voorkomende wijze in Italië van deze school is de Alberello,(eigenlijk een klein boompje wat geen steun nodig heeft) perfect geschikt voor droge en warme gebieden, dus voornamelijk in het zuiden. Maar deze wijze wordt ook gebruikt in Valle d’Aosta. In principe kun je zeggen dat de Griekse vormen allemaal een lage opbrengst leveren maar een aantal vormen worden dan toch weer zo gebruikt dat er toch een hoge opbrengst mogelijk is. Een aantal van de meest belangrijke: Alberello, nog steeds de meest gebruikte Griekse vorm in Italië, hierbij wordt altijd een korte snoei toegepast. Deze methode is erg geschikt voor warme droge gebieden omdat de vitale organen van de plant dicht bij de grond staan, en dus ook dicht bij de bron van vocht. Dus veel in Zuid-Italië, maar ook in wijngaarden hoog in de bergen, bijvoorbeeld in Valle d’Aosta en op de Etna, waar het warm en droog is maar waar het ook ’s nachts flink afkoelt, dicht bij de grond kan de plant dan ’s nachts profiteren van de warmte die de bodem uitstraalt. De Alberello vorm is ook nog onder te verdelen in:

Alberello Greco of Alberello Sardo, met een hele korte snoei waardoor eigenlijk alleen een stam met 2 x 2 knoppen blijft staan.

Alberello Pugliese: meer de vorm van een boompje, met 3 tot wel 7 armen, welke dan ieder 2 knoppen dragen.

Alberello a Nido, Nog lager dan de anderen, waarbij de knoppen niet boven maar naast de stam komen, en het hout eigenlijk rond de stam wordt gebonden, deze methode wordt voornamelijk op plekken gebruikt waar erg veel wind is, bijvoorbeeld het eiland Pantelleria, waar de stokken ook nog in kuilen worden geplant om ze te beschermen tegen de wind.

Guyot , hoewel een zeer internationale methode, bedacht door een fransman, is dit een veel gebruikte methode op basis van de Griekse wijze, welke op de juiste plek met het juiste druivenras voor een goede kwaliteit kan zorgen. Hierbij wordt de horizontale legger met de knoppen ieder jaar vernieuwd door een tak van het vorige jaar te snoeien op 8 tot 12 knoppen en dan langs een horizontale draad te binden, een lange snoei dus. Deze methode is zeer geschikt voor druivenrassen die op de eerste knoppen steriel zijn en daar geen druiven geven.

Cordone speronato, is eigenlijk goed met Guyot te vergelijken, maar met dit verschil dat de horizontale legger niet ieder jaar vernieuwd wordt, maar er kort wordt gesnoeid op deze legger. Deze methode is erg geschikt voor vruchtbare bodems, omdat het de groeikracht van de plant beperkt.

Nadat de wijnboer heeft bepaald hoe hij of zij gaat snoeien en geleiden, begint het echte werk. Want de snoeier moet elke plant langs, even goed bekijken om te bepalen wat elke individuele plant nodig heeft om dat jaar weer goed te gaan groeien. Geen enkele plant ontwikkelt zich namelijk hetzelfde, dus de snoeier moet elke keer weer opnieuw beginnen met bekijken, vervolgens de nutteloze takken wegsnoeien en door naar de volgende patiënt.

Als je dan bedenkt dat er meestal tussen de 4000 en 6000 planten op een hectare staan kun je je voorstellen hoeveel (prachtig) werk dat is.

Hopelijk kijken jullie de volgende keer op een andere manier naar een wijngaard! www.commendatore.nl

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *